9 november 2018


Inmiddels heb ik al meerdere dansvoorstellingen van choreografe Pina Bausch gezien, zowel in Nederland als in Duitsland, maar Café Müller stond nog op mijn lijstje. Vanavond werd deze in Wuppertal opgevoerd, samen met het andere sleutelwerk Das Frühlingsopfer ofwel Le Sacre du Printemps. Maar eerst ga ik naar het Skulpturenpark Waldfrieden.

Tony Cragg - Bulb

In 2006 verwierf de beeldhouwer Tony Cragg een verwilderd privépark van vijftien hectare. Het was zijn bedoeling een park te creëren waar hij eigen werk en dat van andere kunstenaars tentoon te stellen. Op het terrein zijn ook een aantal tentoonstellingsruimtes gebouwd. 

Foto boven:Henry Moore - Draped Seated Woman / Foto onder: Tony Cragg - titel onbekend

Tony Cragg - Dancing column

Tony Cragg - Points of view

Tony Cragg - Caldera

Tony Cragg - Here Today, Gone Tomorrow

Tony Cragg - Flotsam

Tony Cragg - Odolop

Tony Cragg - Mixed Feelings

Foto rechtsboven: Tony Cragg - Formulation (stance); kunstenaars andere foto's onbekend

Ik ben geen groot liefhebber van moderne kunst. Ik hou ervan als kunst een verhaal vertelt, als ik het kan verbinden met iets in mij.
Moderne kunst gaat voor mij meer over vorm. Toch bevalt dit park me. Sommige beelden hebben een vorm die mijn fantasie prikkelt en de werken gaan een prachtige relatie aan met de natuur. Ik bof enorm met het weer, het zonlicht speelt een betoverend spel met de kleuren van de herfst.

De Wuppentaler Schwebebahn, de zweeftrein, is een hangende monorail door de stad, daterend van 1901. De lijn is 13,3 kilometer lang en telt twintig stations. De keuze voor een Hochbahn kwam voort uit ruimtegebrek. De rivier de Wupper was in het dichtbebouwde gebied de enige plek die nog vrij was voor een spoorbaan. In 1950 vond er een opmerkelijk ongeval plaats. Vanwege een reclamestunt voor het circus reisde olifantje Tuffi mee met de Schwebebahn. Het dier raakte echter in paniek en sprong dwars door de wand heen uit de gondel tien meter omlaag in de Wupper. Tuffi bleef ongedeerd. In 1999 ontspoorde een wagen en viel in de Wupper. Hierbij viel een dode en zesenveertig gewonden. De oorzaak van dit ongeval was een stuk gereedschap dat door een spoorwerker op het spoor was achtergelaten. Het ongeval tastte het vertrouwen in de Schwebebahn nauwelijks aan, meteen erna werd er weer volop gebruik gemaakt van het voertuig. 

Ik maak deze keer geen ritje. Ik zat er meermaals in toen ik hier eerder was, een aantal jaar geleden. Nu ben ik moe, doet mijn lichaam pijn en speelt mijn bekraste ziel op door een voorgehouden spiegel.

Ik zit op de vijfde rij, die eigenlijk de derde rij is omdat de eerste twee rijen zijn opgeslokt door de orkestbak. Het toneel is bezaaid met stoelen en een paar tafels. Café Müller zou gebaseerd zijn op de jeugd van Pina Bausch waarin ze haar vader aan het werk zag in zijn café. Het stuk wordt gedanst door zes dansers, drie mannen, drie vrouwen. Een aantal dansers hebben de ogen gesloten. Ze banen zich een weg door het decor, terwijl een man snel de in de weg staande objecten opzij zet. Een vrouw in een lange witte jurk loopt en danst als een schim op het toneel, vroeger werd deze figuur door Pina zelf gedanst. Het schijnt dat deze rol gebaseerd is op het verdriet over haar ongeneeslijke zieke toneelontwerper en uitverkoren partner. Een andere vrouw, met rode krullen, blauwe jurk en jas, fladdert rond, op zoek naar... aandacht? De muziek is van Henry Purcell, prachtig uitgevoerd met onder andere een klavecimbel en een zeer fraai zingende sopraan en bas. Het voelt echt als een Pina-stuk. De kenmerkende stoelen, de herhalingen, de humor. Een man en een vrouw botsen tegen elkaar op het toneel en omhelzen elkaar. Een andere man komt op. Hij 'boetseert' het stel. Haalt hun armen van elkaar af. Strekt de armen van de man, met de handpalmen naar boven. Draait hun gezichten zo dat de lippen elkaar raken. Tilt de vrouw op, legt deze op de armen van de man en loopt dan weg. Langzaam valt de vrouw uit de armen van de man, op de grond. De man komt terug, herhaalt alle stappen en weer glijdt de vrouw langzaam op de grond. Dit blijft zich herhalen, steeds sneller. Ook later in het stuk zal de vrouw zich door de man laten omhelzen, springt in zijn armen om meteen weer op de grond te zakken. Het is vertederend en intiem, kleine bewegingen voortkomend uit verdriet, wanhoop, verlangen. Voor mij is het één grote zucht naar liefde.

Ik dacht dat ik naar één stuk zou gaan, maar na drie kwartier is het pauze en wordt het podium in een hoog tempo leeg geruimd en begrijp ik dat er nog een ander stuk wordt opgevoerd. Gevalletje niet goed lezen. Ik besluit de zaal niet te verlaten, net als mijn buurvrouw uit Hamburg. Ze vertelt dat ze deze avond cadeau heeft gekregen van haar man voor haar verjaardag. Samen kijken we hoe enorm geroutineerd de afbouw plaats vindt. De glazen zijpanelen worden losgeschroefd. De klavecimbel wordt bedekt en omzichtig uit de orkestbak getild. Het cafémeubilair wordt opgestapeld en afgevoerd. Iedereen heeft een duidelijke taak, er hoeft niets te worden gevraagd, er worden geen aanwijzingen gegeven. Als de vloer leeg is leggen ze een grote bruine wollen deken neer. Ze gaan met elkaar, zo'n vijftien mensen, op een rij staan en lopen met kleine stappen naar de overkant om de deken te egaliseren. Daarna worden de randen zorgvuldig vastgetimmerd en daarna geplakt. Een man loopt met een plastic bak alle decorbouwers langs om hun hamers te verzamelen. Vervolgens worden er zes containers de bühne opgereden. Deze worden gekanteld, en met grote scheppen leeg geschept. De inhoud lijkt aarde, later lees ik dat het turfmolm is. De substantie wordt over de hele vloer gelijkelijk verdeeld. Het is alsof we naar een dans zitten te kijken waarin iedereen heel duidelijk zijn plek kent. Zwarte doeken worden neergelaten aan de zij- en achterkant en dan zijn ze klaar en is de pauze van dertig minuten voorbij.

Van mijn buurvrouw heb ik inmiddels begrepen dat we gaan kijken naar das Frühlingsopfer, ook wel bekend als Ie Sacre du Printemps, van Stravinsky. Het stuk gaat over een Slavische stam die de komst van de lente viert met een occult ritueel. Uit verbondenheid met de aarde kiezen ze een maagd uit. Zij is het voorjaarsoffer, ze danst net zolang tot ze dood neervalt. De choreografie is van de Russische danser Vaslav Nijinsky. Bij de eerste opvoering in 1913 veroorzaakte het stuk een enorme rel. Naast het onderwerp deed ook de ongebruikelijke ritmische compositie veel stof opwaaien. Het publiek was gewend aan romantisch klassiek ballet met lichtheid op spitzen. Nijinsky ruilde dit droombeeld in voor een rauwe versie van de mens. Hij liet de dansers woeste, stampende bewegingen maken. De originele versie van Le Sacre du Printemps is maar negen keer opgevoerd. Talloze choreografen hebben het stuk echter in diverse versies levend gehouden, zoals Martha Graham en Pina Bausch. 


Het stuk is zo anders dan ik van dit gezelschap gewend ben.
In 1913 vonden ze dit niet klassiek, ik ervaar dit juist als het meest klassieke wat ik ooit bij Pina Bausch heb gezien. Vijftien vrouwen en zestien mannen staan tegelijkertijd op het toneel en stralen met hun dans een enorme oerkracht uit. Ze spelen een primitief spel van verleiding, van wanhoop. Het zweet gutst van de met opspattende turfmost bedekte lichamen. Het is een genot om naar te kijken, deze opzwepende uitputtingsslag. Dat vinden de andere bezoekers ook, met hun luid en aanhoudend geklap laten ze de dansers vijf maal terugkomen en geven ze uiting aan hun eigen verlangen naar of herkenning van kracht en passie.


«   »