2002 Zuid Amerika


Groepsreis Andes Altiplano. Een maand lang reizen door Zuid-Amerika, door Peru, Chili en Bolivia. Op deze reis leer ik vriendinnetje H. kennen. Het begint met een vlucht naar Lima, de hoofdstad van Peru. De straten hebben gekleurde huizen en prachtige houten balkonnetjes. Er is veel straatverkoop, mensen die elkaar vlooien, toeterende taxi's. Zoveel smog dat het er altijd mistig is. 

We verlaten Lima al snel en rijden naar het vissersplaatsje Pisco. Pisco ligt in een gebied van prachtig gevormde zandduinen afgewisseld met oases. Ze ontstaan op die plaatsen waar de rivieren, ontspringen in de Andes, uitmonden in de Grote Oceaan. Af en toe komen verkopers onze privébus in, een halte verderop stappen ze weer uit. Ze proberen ons noten, fruit of vlees te verkopen. 
Pisco heeft dezelfde naam als het in deze streek gebrouwen drankje, een soort witte druivenjenever. 

We bezoeken hier de Islas Ballestas, een eilandengroep op zo'n één à twee uur varen, en het leefgebied van duizenden zeeleeuwen, pinguïns, Peruaanse aalscholvers en de bruine (rots)pelikanen. Ook verblijven hier miljoenen vogels, zoals guana's (Jan van Genten) die zich voeden met vis en plankton. De eilanden zijn beschermd natuurgebied. Eens in de vier jaar wordt deze regel doorbroken. Dan komen de Peruaanse guano-stekers aan wal om de nitraatrijke uitwerpselen van de vogels te verzamelen. Guano is een zeer belangrijk bestanddeel van meststof en maakt Peru de grootste exporteur ter wereld.

We varen langs de prachtige Humboldt pinguïns, ik zou uren naar ze kunnen kijken. Maar we varen door, naar een stuk strand waar een grote herrie vandaan komt. Hier ligt een enorme kolonie op een kleine oppervlakte. Zes mannetjes en per man honderden vrouwtjes. Er wordt continu gevochten om een plek en een man. Het geluid is oorverdovend en zeer indrukwekkend.  

In deze regio bevindt zich het centrum van de wijnproductie van Peru. De beroemde lokale sterke Pisco wordt hier gebrouwen en wordt veel in cocktails geschonken. Er zijn verschillende soorten: Pisco Sour (met citroen, 21 procent), de wijn (16 procent) en pure Pisco (45 procent). 
We rijden richting Nasca. Onderweg horen we regelmatig een fluitje. Dat komt dan omdat een politieagent zin heeft om een toeristenbus aan te houden. Je moet dan stoppen, de agent 2 sol betalen, en dan mag je door. Dit gebeurt zeer regelmatig. Soms laten ze je door zonder te betalen, omdat ze horen dat je uit het land van Johan Cruijff komt.
We stoppen bij een begraafplaats vlakbij Ica. Bij de graven zitten hele families, enigszins verbaasd bij het zien van al die toeristen. Ze zeggen echter vereerd te zijn door ons bezoek.

De volgende stop is bij de oase Ica, beroemd om zijn druiven. De woestijn rond Ica staat bekend om de grote zandduinen van honderd meter hoog. Veel mensen dalen op verschillende manieren af; rollend, op een board of per auto.

In een vijfpersoons propellor-vliegtuigje gaan we de beroemde Nasca-lijnen bekijken. De Nasca-lijnen zijn gevormd doordat de donkere stenen van de oppervlakte werden verwijderd en aan de andere kant van de lijnen werden opgestapeld waardoor het lichter gekleurde zand vrijkwam. 

Grote vraag blijft wie de lijnen heeft gemaakt en waarom. De lijnen in de vorm van onder andere een aap, hagedis , condor, marsmannetje en kolibri zijn alleen goed vanuit de lucht te zien. De piloot gaat flink schuin hangen met het vliegtuigje, zodat je de lijnen goed kunt zien. 

Hierna bezoeken we een armenkerkhof in de woestijn en het Chauchilla-kerkhof, botten, schedels en mummies van 1000 -1300 na Chr. Vroeger bevonden de mummies zich aan de oppervlakte, ter bescherming tegen toeristen zitten ze nu in tombes onder de grond.

Met de nachtbus reizen we naar Arequipa, bijgenaamd 'de witte stad'. De stad dankt haar bijnaam aan de vele gebouwen die uit vulkanisch gesteente (tufsteen) zijn opgetrokken. Arequipa ligt aan de rand van het Andes-gebergte, op zo'n 2325 meter. Vanaf het Plaza de Armas heb heb je een mooi uitzicht op de vulkaan El Misti. Door de vulkanische uitbarstingen is de bodem rond Arequipa zeer vruchtbaar. In de stad bevindt zich de in 1995 ontdekte mummie van een ongeveer twaalfjarig meisje, dat de naam Juanita heeft gekregen. Ruim vijfhonderd jaar geleden werd zij door de Inca's aan de goden geofferd en begraven in de permafrostlaag van de vulkaan Ampato.

Met een paar mensen in de groep bezoeken we het Catalina-klooster. Het klooster wordt nog gedeeltelijk bewoond door ongeveer twintig nonnen. Het bestaat uit een labyrint aan straatjes en pleintjes, gebouwd in 1580, met een oppervlakte van 20.000 m2. De oprichtster was een rijke weduwe, Maria de Guzmán, die alleen nonnen accepteerde uit de beste Spaanse families. Traditioneel werd iedere tweede dochter uit de rijke gezinnen het klooster ingestuurd om een arm leven te leiden en afstand te doen van de materialistische wereld. In werkelijkheid had iedere non één tot vier meestal zwarte slaven, mochten ze muzikanten uitnodigen voor een optreden, en mochten feesten worden gehouden.
Na drie eeuwen klaagde de paus dat het klooster een exclusieve club was geworden en stuurde een hele strenge non om de orde te herstellen. Deze non stuurde alle rijke meisjes terug naar Europa, bevrijdde alle slaven en gaf hen de keuze weg te gaan of als non te blijven. In 1970 werd het klooster onder dwang van de burgemeester opengesteld voor publiek. Hij eiste ook dat elektriciteit en stromend water werd aangelegd. Om dit te kunnen betalen is het klooster toegankelijk voor publiek.

Ook gaan we naar de plaatselijke markt. Kleurrijke gangen vol groenten, brood en heel veel verschillende soorten aardappels. Ook een kraam met koeienhoofden en ezelshoeven.

We maken een tweedaagse trip naar de Colca Canyon, één van de diepste kloven ter wereld. Onderweg zien we veel lama's en alpaca's en lokale markten. We slaan coca-bladeren in, die schijnen te helpen tegen hoogteziekte. Je haalt de nerf uit de bladeren, dan schraap je wat poeder van je blokje aardappelas op de bladeren. Dan vouw je het geheel dubbel, stopt het in je wangzak en kauwen maar. Je speekselvoorraad wordt er door uitgebreid en het schijnt je mond een uur te verdoven. Het ruikt naar hennapoeder. Je kunt de bladeren ook in de thee doen. Verschijnselen van de hoogteziekte zijn hoofdpijn, misselijkheid, droge mond en huid, kortademig, veel plassen en vieze windjes, heftige dromen. Door de hoogte lopen tubes vanzelf leeg of knallen spontaan open, pennen houden er opeens mee op. 

Cruz del Condor, een hele diepe kloof als goede schuilplaats voor de condor, met een spanwijdte van ruim 3 meter. Ze zweven geruisloos omhoog, gebruikmakend van de thermiek. Een indrukwekkend gezicht. We hebben deze dagen een leuke gids bij ons, Freddie. Hij vertelt over de Peruanen, die moeten leven van straatverkoop, en daardoor weinig geld hebben om hun huis op te knappen. Relatief nieuwe wijken zien er daarom nog steeds uit als sloppenwijken. Hij wijst ons op de gevolgen van vulkaanuitbarstingen en aardbevingen. Verder zit er ook water onder de grond. Dit veroorzaakt dat de aarde scheurt en dat de grond zakt. Hierdoor ligt de rivier veel lager dan de terrassen. Om ze toch te bewateren hebben de Inca's waterreservoirs gemaakt in de bergen. 

In Peru is het zomer in januari, februari en maart. Dan is het heet aan de kust maar regent en sneeuwt het in het binnenland. Veel wegen raken onbegaanbaar. In de winter, in juni, juli en augustus, regent het niet. 
Op de terrassen wordt quinoa, bonen en aardappelen verbouwd. Toen dit gebied nog tot het Inca-imperium behoorde werden de hellingen intensief gebruikt. Maar met de komst van de Spanjaarden werden de mannen verplicht in de mijnen te werken en bleven er te weinig mannen over om het land te bewerken. Ook nu is dat nog een probleem. De beter gesitueerden trekken weg, de jongeren proberen elders hun geld te verdienen en de ouderen blijven alleen achter. 


In zes uur rijden we van Arequipa naar Tacna en steken daar de grens over met Chili en rijden naar Arica, de meest noordelijke stad in Chili. Tijdens de koloniale tijd werd vanaf deze havenplaats zilver verscheept naar Spanje. De straten zijn gevuld met markten en winkels die leveren aan Peruaanse en Boliviaanse smokkelaars. 

In de stad staat 'Iglesia de San Marco', een smeedijzeren kerk uit 1876, ontworpen door Eiffel. De 'Morro de Arica' is een hoge berg met mooie uitzichten over de stad, de Pacific en de woestijn.

De bijnaam van de stad is 'de stad van de eeuwige lente'. 

's Nachts reizen we per bus door de droogste woestijn ter wereld, de Atacama-woestijn. We worden twee keer uit de bus gehaald voor een controle op fruit en groente die niet vervoerd mogen worden. De volgende dag komen we aan in San Pedro de Atacama, een oase van ongeveer duizend inwoners. Het is gemoedelijk, het straalt een Spaanse en Indiaanse sfeer uit. Uit een kerk klinkt de Spaanse versie van Sound of Silence.
We maken een excursie naar de Salar de Atacama en Valle de la Luna, een mysterieuze woestijnvallei waar bovennatuurlijke krachten aan worden toegekend. Op de top van een zandduin genieten we van de zonsondergang. 

Vanuit San Pedro start een driedaagse zoutmerentocht naar Uyuni in Bolivia. Met jeeps leggen we duizend kilometer af door een ruig gebied. Vroeger stond dit deel onder water. Bij het opdrogen kwam een grote zoutconcentratie bloot te liggen. De zoutafzetting is ontstaan door mineralen die vanuit de bergen naar het laagste punt stroomden. In dit gebied zijn gestolde lavastromen, prachtige stratusvulkanen, grillige rotsen, warmwaterbronnen, gekleurde meren en eindeloze surrealistische zand- en zoutvlakten. Er gaat een kok mee.

We komen langs Laguna Verde en badderen in het warmwaterbad in de Laguna Salada. 

We overnachten in een eenvoudige barak met slaapzalen en stapelbedden. Er is geen douche. 's Avonds is er een paar uur elektriciteit die middels een generator wordt opgewekt. Hier wonen ook diverse gezinnen met veel kinderen en huisdieren. 

Ik voel me ziek als ik uit de auto kom: hoogteziekte. De groep gaat nog naar de geisers van Sol de Manana en de Laguna Colorada, een meer met roodtinten. De kleur is gevormd door algen en plankton. Ik ga in bed liggen onder de kleedjes die ik op de straatmarkten heb gekocht. De kokkin brengt me coca-thee. Terwijl twee mannen bezig zijn in de slaapzaal elektriciteit aan te leggen vind ik nog net op tijd een zakje om de thee in over te geven. Meerdere mensen uit de groep zijn ziek. 

Om half negen gaat de generator uit. Ik durf niet goed te gaan slapen. Als je slaapt krijg je namelijk minder zuurstof en kan zelfs je hart even stilstaan door de hoogte. Een hele lieve jonge kat, die ik Knorretje doop, komt me gezelschap houden en ligt de hele nacht in mijn nek en gezicht. Soms likt hij mijn mond en neus. 

De volgende dag rijden we door een enorme zandvlakte. We stoppen bij Arbol de Piedra, een stenen boom gevormd uit een door de wind uitgebeten rots en we maken kennis met viscacha's, een soort rotskonijn met een lange staart. Ook komen we langs een aantal zoutwater lagunes, in een aantal treffen we James flamingo's aan. 

We slapen in San Juan, een klein dorpje met barretjes, een disco en één telefooncel waarvoor het hele dorp in de rij staat.

Op de laatste dag van deze tocht rijden we eerst naar het vulkanische eiland Inca Wasi aan de rand van het zoutmeer, waarop zich zes meter hoge cactussen bevinden. Wat een prachtige plek! Even verderop Isla Pescado, ook met cactussen. 

En dan eindelijk de zoutvlakte zelf, Salar de Uyuni. Veertigduizend jaar geleden werd Zuidwest-Bolivia in beslag genomen door Lago Minchin. Daarna lag het gebied veertienduizend jaar droog. Vervolgens ontstond het Taucameer dat slechts duizend jaar bestond. Toen dit meer opdroogde bleven er enkele plassen over, waaronder dit zoutmeer. Het zout van het zoutmeer is een gevolg van de uitspoeling van mineralen die afgezet werden, doordat dit gedeelte van de altiplano intern gedraineerd wordt, er is namelijk geen uitgang naar zee. Het zout wordt nu gebruikt voor huizenbouw en huishoudelijk gebruik. Het is zo wit dat de heuvels in de verte weerkaatsen en luchtspiegelingen lijken. Een witte vlakte waar geen einde aan lijkt te komen, indrukwekkend. We blijven maar foto's maken van elkaar, want hoe leg je zo'n eindeloze vlakte anders vast? We springen, we liggen, iedereen probeert een originele foto te maken die toch al zo vaak gemaakt is. Daarna gaan we naar het zouthotel, een hotel geheel opgetrokken uit zoutblokken. 

Ojos de Salar, poeltjes van water en gas.

En dan naar het Cementerio de Trenes, hier had ik naar uitgekeken. Hier zou ik uren rond kunnen dwalen om foto's te maken, het zou een prachtig filmdecor kunnen zijn. De liefde voor treinen zat er toen al in.
Tenslotte de aankomst in Uyuni. De elfduizend inwoners werken bij het leger of de politie, de zoutverwerking of in het toerisme. 

Een lange busrit naar Potosi. Onderweg komen we langs grillige en kleurrijke rotsformaties. De bus toetert bij iedere bocht. Af en toe stoppen we in een dorpje en stappen er wat oude vrouwtjes in, die gebukt gaan onder heel veel bagage en in het gangpad gaan zitten. Ze stappen weer uit op een plek die niets meer is dan stof en stenen. De inheemse bevolking leeft in adobe-huisjes, gemaakt van droge klei, riet en uitwerpselen. 

Potosi ligt op 4070 meter en is hiermee de hoogst gelegen stad van de wereld. De stad ligt aan de voet van de berg Cerro Rico, 'rijke berg'. De Spaanse rijkdom laat zich in de stad zien door de talrijke kerken, kathedralen, kloosters en koloniale huizen die vaak in de terracottakleur zijn opgetrokken als eerbetoon aan de kleur van de Cerro Rico. In de stad wordt de tas van mijn kamergenote onderaan opengesneden en geleegd. Samen met de 'juf' doen we aangifte. We komen in een oud politiebureau met een heleboel stoere mannen. Ergens onder de trap aan de binnentuin zit een deur met tralies en daarachter een heel gezin. In de kamer waar we moeten zijn worden we geholpen door een hele mooie agent, en als we ons verhaal hebben gedaan, verwijst hij ons eerst naar het gebouw van justitie om het papiertje te kopen voor een proces-verbaal.

Als we daarmee terugkomen, typt een stagiaire het verhaal vol spelfouten uit. Ondertussen wordt een kamer links verduisterd en een mevrouw neemt achter de deur plaats, zij is ook aangifte van een misdaad komen doen. Het blijkt een one-way-spiegel te zijn. Als de deur dicht is, komen er uit de deur rechts drie verdachten. Die moeten steeds een kwartslag draaien en verdwijnen dan weer achter de rechterdeur. De mevrouw komt terug en vertelt een groepje agenten wie de dader was. Wij zitten er bij en kijken er naar. Ondertussen worden we door een andere bezoeker uitgenodigd om 's avonds naar een café te komen waar hij muziek zal maken. 

Een klein deel van de groep gaat naar de mijn in de Cerro Rico. In 1545 ontdekten de Spanjaarden de enorme hoeveelheid zilver in de berg waarmee de driehonderd jaar lange exploitatie van mijnwerkers, indigenas (inheemse bevolking) en negerslaven begon. Toen veel indianen waren omgekomen werden miljoenen Afrikaanse slaven geïmporteerd om het werk te doen. 
Om de productiviteit te verhogen werden alle indianen en zwarte slaven vanaf achttien jaar verplicht om te werken in diensten van twaalf uur. Ze verbleven soms vier maanden onder de grond. Als ze werden afgelost werden de ogen bedekt om schade te voorkomen door het felle zonlicht. Hun barbaarse werkomstandigheden leidden tot de dood van acht miljoen mijnwerkers gedurende drie eeuwen. 
Op dit moment werken er nog steeds tienduizend mijnwerkers in één van de driehonderdvijftig mijncoöperaties. Er wordt nu weinig zilver meer gevonden, belangrijkste bron van inkomsten is nu tin. Als je op bezoekt gaat wordt het op prijs gesteld als je wat cocabladeren meeneemt, sigaretten en een flesje 96% alcohol. Vooral het kauwen op de cocabladeren draagt ertoe bij dat het zware werk onder de grond langer kan worden volgehouden. Tijdens het bezoek ontmoet je ook de mijngod El Tio, een door de Spanjaarden verzonnen afgod om de mijnwerkers harder te laten werken. 

Met een lokale bus rijden we naar Sucre, de officiële hoofdstad van Bolivia. Hier werd de onafhankelijkheid uitgeroepen door de belangrijkste vrijheidsstrijders van Latijns-Amerika, Simón Bolivar en Antonio José de Sucre, de eerste presidenten van Bolivia. De stad heeft prachtig onderhouden witte koloniale gebouwen en kerken. 
We bezoeken de markt in het dorpje Tarabuco, dat bekend staat om zijn weefkunst. De inwoners lopen er rond in lokale kleding. De mannen dragen 'monteras', leren hoeden die al gedragen werden door de Conquistadores. 

Begraafplaats in Sucre.

De nachtbus naar La Paz doet er bijna net zo lang over als het vliegtuig van Amsterdam naar Lima. Ze rijden alleen 's nachts, overdag zou de motor te heet worden. En zo zie je de afgronden tenminste niet. Een deel van de groep durft het niet aan en kiest voor een binnenlandse vlucht. Ik zoek geruststelling in het feit dat de chauffeur zijn gezin heeft meegenomen, dat zal hij vast wel extra voorzichtig rijden.

La Paz ('Vrede') ligt aan de voet van de 6300 meter hoge berg Illimani. De stad is de officieuze hoofdstad van Bolivia, waar de regering en alle ministeries zijn gehuisvest. De stad is druk en stinkt en is één grote markt. Achter de kramen staan grote pannen met voedsel waaruit het hele gezin zit te eten in de lucht van uitlaatgassen. Het eten wordt ook verkocht: een plastic zakje met wat aardappels, een stukje vlees en een ei. We bezoeken de heksenmarkt, waar men lamafoetussen en andere offerandes verkoopt om Pachamama (moeder natuur) mild te stemmen. 
Het straatbeeld wordt bepaald door een mengeling van Europees geklede 'zakenlui' en cholitas, de zo kenmerkende Boliviaanse vrouwen met hun fraai geborduurde plooirokken (polleras) en 'dansende' zwarte bolhoedjes die op straat hun koopwaar aanprijzen. Het paleis van de president (foto rechts) tref je aan op de Plaza Murillo, een rustiek pleintje met spelende kinderen, duiven, schoenenpoetsers en ijs- en pindaverkopers. Het paleis staat bekend als het Palacio Quernado (verbrand paleis) omdat het regelmatig is afgebrand. Op het plein zijn twee presidenten opgehangen aan een lantaarnpaal, door radeloze weduwen.

Tevergeefs proberen we met drie mensen een bezoek te brengen aan de San Pedro Prison, ze accepteren die dag geen bezoek. 
De vijftienhonderd gevangenen moeten in hun eigen onderhoud voorzien. Sommige families kiezen ervoor om bij hun man in de gevangenis te wonen, ongeveer vijfhonderd vrouwen en kinderen. Er zijn vijf soorten cellen: de meest succesvolste (of meedogenlooste) gevangenen wonen in comfortabele cellen met alle gemakken van een goed hotel, terwijl de arme gevangenen in een veel minder verantwoorde cellen verblijven. Degenen die Engels spreken geven rondleidingen en binnen wordt handwerk verkocht. 

's Avonds ga ik met drie anderen naar een opvoering van The Wall van Pink Floyd. Bij de kassa hangt een plattegrond van de zaal. Iedere stoel is een gaatje in de plattegrond en als je de plaats koopt krijg je een rolletje papier dat in dat gaatje zit opgerold en daarop staan rij- en stoelnummer. De zaal heeft de grootte van de Kleine Komedie met de allure van Carré. De zaal stroomt vol met jongeren en hele gezinnen. 
De techniek laat wat te wensen over, maar de show is fantastisch. Er staat een koor van zo'n vijftig jongeren en een fantastische band.

We gaan weer terug naar Peru, we steken de grens over bij Desaguadero. Bij deze grenspost is het een komen en gaan van toeristen en handelaren. Het ziet er heel rommelig uit, overal afval en bedelende mensen. We worden dan ook gewaarschuwd om goed op onze spullen te letten. Daarna rijden we door naar Puno. Vanuit Puno bezoeken we de Uros-rieteilanden. We krijgen een beeld van hoe de Uros-indianen leefden op de Islas Flotantes (drijvende rieteilanden). Zij bouwden hun huizen van het totora-riet en in tijden van schaarste diende het zelfs als voedsel. De eilanden zijn eeuwen geleden gemaakt om zichzelf te isoleren van de Colla's en de Inca's.
Nu wonen er nog zo'n zevenhonderd mensen die leven van vis en het toerisme. De eilanden bestaan uit meerdere lagen riet. De onderste laag rot eg en aan de bovenkant wordt steeds weer een nieuwe laag aangebracht. De grootste eilanden hebben huizen, een school, een postkantoor, souvenirwinkels en zelfs een snackbar. Er worden ook rieten boten gemaakt die zo'n zes maanden gebruikt kunnen worden voordat ze beginnen te rotten. 

Daarna gaan we met de boot naar Isla Taquile. Het eiland staat ook wel bekend als het 'breiende manneneiland'. De vrouwen spinnen en weven terwijl de mannen breien. Ze breien vooral lange mutsen die ze ook dragen om hun status aan te geven. De rode mutsen zijn voor de getrouwde mannen, de rood-witte voor de singles.
Afdingen kan niet op dit eiland, iedereen is aangesloten bij een coöperatie die al het handwerk verkoopt in de winkel op het centrale plein. Op het eiland zijn geen wegen, geen auto's of fietsen. Elektriciteit is er sinds de jaren negentig maar is nog niet op het hele eiland beschikbaar. In het begin waren ze niet blij met de stroom toeristen, nu zijn de boten naar het eiland in eigendom van de eilanders zelf.
Ze hebben weinig contact met de buitenwereld, daardoor veel relaties binnen de familie. 

Een lange busreis langs maïs- en quinoavelden naar Cuzco. Rond het gebied van La Roya, de ruim 4300 meter hoge pas, heeft de universiteit van Cuzco een fokprogramma opgezet van alpaca's en lama's ten behoeve van een meer constante kwaliteit wol. 
Cuzco is een aangename stad. Volgens de legende is de stad gesticht in de 12e eeuw door de eerste Inca Manco Capac, de 'zoon van de zon'. Andere verhalen en archeologische vondsten zeggen echter dat de stad al bestond in de achtste eeuw. De Inca's beschouwden Cuzco als 'de navel der aarde', het middelpunt van het Inca-rijk. De Spanjaarden hadden geen respect voor deze cultuur, veel religieuze tempels werden na de omverwerping van het Inca-imperium met de grond gelijk gemaakt. Talrijke Inca-bouwwerken moesten het ontgelden om slechts te dienen als fundament voor veel kerken en kloosters. 
De mengeling van Cuzqueense bouwstijlen zie je goed in de vele steegjes rondom de Plaza de Armas. De straten lopen op, zijn nauw en vaak alleen voor voetgangers. Er is ook San Blas, de kunstenaarswijk. 

Rondom de stad ligt de 'El Valle Sagrado', de Heilige Vallei van de Inca's. Op zondag is hier de markt van Chinchero. Prachtig om al die kleurrijke handwerken te zien en lokale mensen te ontmoeten. Op deze markt vindt ook ruilhandel plaats. 

Ollantaytambo is een groot Inca-terrein bij Pisac met een voormalige vesting. Deze vesting bleek voor de Spanjaarden onneembaar door de erom heen liggende terrassen. De Inca's beschouwden de vesting als een tempel. Duizenden indianen zijn nodig geweest om de zware stenen van zes kilometer verderop te verslepen. Om de stenen over de rivier te krijgen werd de rivier om de blokken heen geleid. 

Een groot deel van de groep loopt in een paar dagen naar de incastad Machu Picchu, de beroemde Inca-trail. Ik leg de afstand per trein met twee groepsgenoten af, omdat ik, terwijl de groep de Inca-trail loopt, nog een paar dagen het oerwoud in ga. De trein rijdt al zigzaggend uit het dal waarin Cuzco ligt. We gaan steeds een stukje vooruit, dan op een tweede spoor een stuk achteruit en dan weer vooruit op een derde spoor. Dat proces herhaalt zich zo'n tien keer. Dit schijnt te maken te hebben met het gebrek aan elektrische wissels. Of omdat de trein zo minder steil hoeft te klimmen. 
De trein komt aan in het stadje Aguas Calientes, wat aan de voet ligt van de pas in 1911 ontdekte stad. De Spanjaarden hebben deze stad nooit ontdekt. Toen de stad ontdekt werd door de Amerikaanse historicus Hiram Bingham was het nog dik overwoekerd. De werkelijke functie die de stad had weet men nog steeds niet. Er zijn meer dan vijftig graven gevonden, waarin meer dan honderd overblijfselen van skeletten, waarvan tachtig procent vrouwelijk. Aan de uitzonderlijk hoge kwaliteit van de stenen en de overvloed aan ornamenten valt af te lezen dat Machu Picchu een belangrijk ceremonieel centrum is geweest. 
Op de terugreis in de trein worden we omringd door stinkende luidruchtige toeristen die de Inca-trail hebben gelopen. 

Ik begin aan een driedaagse jungletocht in het natuurgebied Tambopata. Dit uitgestrekte regenwoud staat bekend om zijn grote verscheidenheid aan vogels en zoogdieren. Door de ligging, ver weg van de bewoonde wereld én de aanwezigheid van vele onderzoekers heeft dit natuurgebied zijn unieke flora en fauna weten te behouden. Op het vliegveld van Puerto Maldonado word ik bij een bus met een groep jonge toeristen gestopt, zij zijn al een tijd met elkaar op reis. Het meisje met wie ik een kamer deel is daar zichtbaar niet blij mee. Onderweg kopen we nog een poncho, die zal zeker nodig zijn. Per boot varen we naar de Posada Amazonas Lodge. Deze lodge is gemaakt van natuurlijke materialen, zoals hout en bamboe. Er is geen elektriciteit, wel kerosine-lantaarns.
Ik vind het spannend om dit alleen te doen en voel me niet helemaal welkom in de groep maar dit is wel een unieke ervaring. 

We maken dezelfde dag een wandeling door de jungle. Ik ben niet iemand die de naam wil weten van iedere boom of vogel, maar de gids heeft veel mooie verhalen. Zo creëert de natuur haar eigen oplossingen. Er is een boom die een paar millimeter kan opschuiven om zo meer licht te vangen. Of een boom die, zolang hij nog niet volgroeid is, knobbels op de stam laat groeien om zichzelf zo te beschermen tegen parasieten of dieren. Het is overweldigend zo midden in de natuur te zitten, zo vol geluiden. 

Er zijn diverse gidsen. De meesten zijn vrij jong, hebben een biologische of toeristische achtergrond en hebben hun kennis uitgewisseld.
Ze lopen rond met verrekijkers en hebben oog voor details, kunnen de dieren vaak al herkennen aan hun geluiden. 

Met een soort houten catamaran brengen we een bezoek aan de Rio Tambopata. We zien een kaaiman, een waterschildpad, diverse vogels en papegaaien. Met een stok en een touwtje wordt op piranha's gevist. Die zijn heel slim, vaak weten ze het aas te eten zonder gevangen te worden. De gids weet er één boven te krijgen. Als je een blaadje in de bek duwt en achter de oren knijpt, zegt 'ie hap en heb
je een prachtig kartelrandje. 

Tijdens een wandeling zien we de strijd tussen de 'leaf-cutting-ant' en de 'army-ant'. De eerste soort is de hele tijd aan het sjouwen met stukjes blad en de tweede soort voert oorlog. Als die elkaar tegen komen, wordt het een ware veldslag. Fascinerend om te zien.

We bezoeken een kleine 'clay lick', een kleiwand waar vaak de kleine groene macaw en vele papegaaien zijn te bewonderen. Zij eten de klei om zich te goed te doen aan de mineralen die hierin zitten, maar ook om de effecten van giftige zaden te neutraliseren. We gaan naar een hutje, verscholen in de natuur, met een rieten muurtje met gaten. Daardoorheen kun je onopgemerkt kijken naar de papegaaien en parkieten. De kleigrond maakt dat dit voor boeren niet de ideale ondergrond is waardoor dit deel gespaard wordt. We wachten een uur, horen de vogels al wel. Ze voeren eerst een ritueel uit, verkennen de boel en kijken of de plek veilig is. Daarna komen ze tevoorschijn en kijken we naar tientallen parkieten die aan de muur hangen. 

Daarna brengen we een bezoek aan de leefgemeenschap van de Ese-eja-indianen. Zij proberen de oude normen en waarden van hun cultuur te herstellen. Een jongen die een opleiding tot shaman volgt leidt ons rond. Die opleiding duurt vijftien jaar. Je moet speciale gaven hebben, een bijzonder dieet volgen, op een bepaalde plek wonen en soms jezelf een tijd opsluiten. Hij laat ons de medicinale tuin zien, we ruiken en proeven aan planten die gebruikt worden om allerlei ziektes te genezen. De gids vertelt dat zijn oma op deze manier van kanker is genezen. 

Die nacht onweert het enorm. En daar lig je dan midden in, in je hutje zonder muren, onder je klamboe. De hagedissen komen bij ons schuilen. De groep gaat 's ochtends nog een wandeling maken om nog meer vogels te zien, ik blijf lekker in mijn bedje liggen om naar de natuur te kijken en te luisteren. De natuur droogt op. Ik zie apen door de bomen zwaaien en twee vrijende hagedissen in de zon. 
Ik laat de beelden van de afgelopen weken voorbij komen. 

Terug in Cuzco ontmoet ik mijn eigen groep weer. Onze laatste avond in Cuzco brengen we door in het huis van onze juf in de stad. De volgende ochtend vliegen we naar Lima en na een paar uur daar rondlopen vliegen we terug naar Nederland.
Wat een geweldige reis is dit geweest. 

 


«   »