10 juli 2018


Als ik terugdenk aan de avond dan hoor ik mezelf vooral klagen. Zeuren over pijntjes en beperkingen, benadrukken dat deze kanker terug gaat komen. Terwijl ik me zo had voorgenomen de ideale kankerpatiënt te zijn. Niet klagen, altijd positief, een mens waar met bewondering naar gekeken zou worden.

De dagen tussen bloedprikken en weer een uitslag voelen sowieso anders. Dan zitten alle emoties hand in hand op een bankje te wachten en roepen ze met bibberende stem om hun moeder. Als zenuwachtige druppende kinderen die opgaan voor hun zwemdiploma.

Ik hoor een stem die niet de mijne is. Even niet zo bedreven in het afleiden van de aandacht nadat de 'hoe gaat het met je'-vraag met een standaardantwoord is beantwoord. 

Ik werk mee aan een aantal onderzoeken van hoogleraren en artsen en heb de afgelopen dagen tal van vragen beantwoord. De moeilijkste: 'heeft u momenteel kanker?' Zolang de uitslag van het bloedonderzoek niets anders uitwijst ben ik in remissie. Kankervrij. Maar het lichaam geeft iets anders aan. Dit gehavende stramme oude lijf voelt zich verre van gezond. Het kraakt, het piept, het rammelt. Ondertussen liggen de sluipmoordenaars op de loer. Wachten tot ze weer zin hebben in een samenklonterfeestje en de polonaise kunnen lopen door mijn beenmerg. Dat ik niet gezond ga worden als in helemaal beter, dat weet ik. 

Loretta Lux - Martha

Maar als je ziek bent en daarvoor behandelingen hebt gehad, dan verwacht je je steeds iets beter te gaan voelen, kleine stappen te kunnen zetten. En die blijven uit. Dus moet ik mijn verwachtingen bijstellen. Ik roep steeds dat ik geen patiënt wil zijn, maar ik gedraag me er wel naar, door me te laten beperken. Door de klachten de boventoon te laten voeren in mijn hoofd en in gesprekken. 

Soms ben je een mens die je niet wil zijn.

 


«   »