22 januari 2026

Janaina Mello Landini - Ciclotrama 376 (onderdeel van de tentoonstelling Iris van Helpen - Sculpting the Senses in Kunsthal Rotterdam)

Mensen vragen me of ik een idee heb waar ik heen ga als ik dood ben.
Natuurlijk kan ik daar niets waarheidsgetrouws over zeggen. Ik kan wensen hebben, of verwachtingen. Maar zeker weten doe ik het uiteraard niet.

Jaren geleden keek ik naar een aflevering van De Kist. Daarin was kleinkunstenares Martine Sandiford te gast. Ooit zat ik met haar op de HKU in de klas. Zij vertelde dat zij denkt dat de fase van het doodgaan er hetzelfde uitziet als de fase van het nog niet geboren zijn. Dat je op een dag ‘gewoon’ niet meer wakker wordt en er ‘gewoon’ niet meer bent. Dat beeld spreekt me wel aan. Ik moet er niet aan denken dat mensen mij ‘daarboven opwachten’ en dat ik weer hele gesprekken moet gaan voeren. Dat ik naar een plek ga waar het druk is, waar ik weer van alles moet. Naast dat het communiceren me vrij ingewikkeld lijkt in begraven en gecremeerde toestand.

Bij de eerste verkennende gesprekken met het wijkteam dacht ik dat er schaamte zou zijn bij het tonen van mijn lijf. Moeite bij het vragen om hulp. Maar toen spraken we nog vanuit een theoretische situatie. Die fase ben ik snel voorbij, of heb ik zelfs overgeslagen. Ik heb geen keuze, ik moet me overgeven omdat ik me grotendeels niet meer kan bewegen. Dus draai ik mijn blote billen naar de verzorgers en laat me wassen. Mijn vrienden en familie legen mijn catheterzak. Ik leg mijn boodschappen, mijn vragen, mijn leven in de handen van anderen.

De voordeurbel gaat, mijn zus opent. Twee mannen met een zwarte tas met documentatie staan hoopvol voor de deur, popelend om het gesprek te aan te gaan. Jehova’s. Mijn zus stuurt ze weg naar buren. Ook nu, of juist nu, geen ruimte voor mensen en woorden die me een richting in willen duwen.

De mensen om me heen hebben me een prachtige plek in huis gegeven. Ik lig op een hoog-laag bed voor het raam, waar eerst de bank stond. Als een prinses op een troon. Achter de geraniums de wereld in de gaten houden, maar gelukkig narcissen en tulpen in plaats van geraniums. De jaloezieën staan zo dat ik wel naar buiten kan kijken, maar voorbijgangers kunnen mij niet zien. De stok om de jaloezie te bedienen is verlengd zodat ik deze zelf vanuit bed kan bedienen. Op mijn telefoon is een app geïnstalleerd zodat ik zelf de lampen aan- en uit kan zetten. Helemaal geweldig. Ik bof zo.

Het hospice waar ik laatst kennis ben gaan maken, belt. Als thuisblijven geen optie meer is, zal dat de plek zijn waar ik sterf. In principe kan je pas in een hospice terecht als de verwachting is dat je nog maximaal 3 maanden te leven hebt. Niemand uiteraard die weet wanneer dat is. We kunnen niet in de toekomst kijken. Zo’n telefoontje voelt als: ‘en uw 3 maanden gaan nú in’. Ik vraag mijn broer en zus of ze me al zat zijn. Ze zeggen van niet, dus ik zeg het hospice nog even af.

Een Syrische bovenbuurman belt aan. Hij heeft over mijn situatie gehoord van een Iraakse buurvrouw op het portiek. We hebben niet veel contact maar hij is geschrokken. Als ik zeg dat ik er vrede mee heb en me heb neergelegd bij mijn overlijden, zegt hij dat ik zo niet moet praten. Ik ga beter worden. Hij biedt aan om te koken, boodschappen te doen, schoon te maken. Later komt hij met een tasje met fruit.
De Iraakse buurvrouw komt een dag later langs om te vragen hoe het gaat. Ze vertelt dat ze mijn ziekte maar moeilijk kan rijmen met haar geloof. God zou de terroristen kanker moeten geven, niet de lieve mensen. Ze zegt het tegen een collega. Die zegt: "God heeft een goed mens nodig."

Om het om hulp vragen wat makkelijker voor mezelf te maken, waarschuw ik mensen alvast dat die vraag er concreet aan zit te komen als ze me bijvoorbeeld via de app een dikke knuffel geven. Door die aankondiging maak ik het voor mezelf wat laagdrempeliger.
Ook krijg ik enorme mooie en openhartige woorden toegestuurd die me om uiteenlopende redenen laten snikken. Tranen met diverse ladingen. Ze geven me over het algemeen een gevoel dat ik van waarde ben geweest, en dat is nieuw voor mij. Toch kan ik het horen en ontvangen.

Ik val opeens in slaap tijdens het tv-kijken. Dat doe ik de laatste maanden niet overdag, de medicatie houdt me meestal wakker. Mijn broer zit aan tafel, hoort de verandering in mijn ademhaling. Hij is meteen alert. Is dit slaap of de dood? Het kan natuurlijk, dat ik van het ene op het andere moment dood in bed lig.
Hij deelt het met me als de dood toch slaap blijkt te zijn. Het levert weer een bijzonder gesprek op. Over wat te verwachten, over het niet weten wat te verwachten.

Vannacht was een slechte nacht. Ik roep: "Ik wil dit niet." Het lichaam geeft aan dat het genoeg is. We hadden verwacht en gehoopt dat ik iets rustiger het leven zou verlaten. Maar mijn lijf ontploft en loopt leeg. De zorg is geweldig en helpt me aan alle kanten om me zo comfortabel mogelijk te maken. Maar ik ga nu toch echt dood. Ik ben omringd door hele lieve mensen. Ik ben niet bang. Ik hoop morgen mijn moeder nog te zien. En zaterdag mijn dinnetje. Maar het kan heel goed zijn dat ik er dan niet meer ben. 

Alles is gezegd. Ik heb hard geleefd. Het is goed zo. 

Column Sinan Can - Vara gids

Column Sander de Hosson

Rouw wordt vaak beschreven als iets wat moet slijten, zakken, een plek moet krijgen, oplossen zelfs. Alsof het een blok ijs is dat je alleen maar lang genoeg op tafel hoeft te laten liggen en dat uiteindelijk vanzelf verdwijnt. Maar wie rouwt, weet dat dit niet klopt. Rouw lost niet op. Rouw verandert wel van vorm. Misschien is rouw niet zozeer het gat dat iemand achterlaat, maar meer de plek die blijft bestaan.

Toen hij er nog was, vulde hij ruimte in je leven: een stoel aan tafel, een stem in de gang,
een geur in het kussen. Toen zij er nog was, vulde zij de toekomst: plannen die nooit uitgesproken hoefden te worden omdat ze zo vanzelfsprekend waren. En dan is er ineens die abrupte stilte. De plannen zijn er niet meer. De stoel wordt niet meer meegeschoven. De ruimte wordt niet kleiner- jij wordt groter om eromheen te kunnen lopen.

Rouw is geen ziekte. Het is ook geen taak. Het is wel een relatie die van vorm verandert. Filosofen noemen het soms de afwezig aanwezige. Wat weg is, dringt zich toch op. En dan vaak in kleine dingen, op onverwachte momenten: een liedje in de supermarkt, een zinnetje dat je jezelf hoort zeggen en waarvan je schrikt omdat het precies zijn of haar zinnetje is.
Een lege plek in het bed die nog altijd bezet lijkt. Rouw is een bewijs dat de relatie niet wordt beëindigd door de dood, maar anders wordt opgeschreven. Jij blijft het gesprek voeren, alleen is het antwoord anders geworden.

We hebben de neiging rouw te willen oplossen. We zeggen: je moet het een plek geven. Maar misschien is het omgekeerd. Misschien geeft rouw ons een plek. Het herinnert ons eraan wie wij waren in relatie tot de ander. Het markeert wat er toe deed. Ik vergelijk het wel eens met een rivierbedding die zichtbaar blijft, ook als het water zakt. Er is nog iets paradoxaals aan rouw: rouw toont ons zowel de kwetsbaarheid als de diepte van liefde.Je rouwt niet om alles. Je rouwt om dat wat van betekenis was. Rouw is dus niet alleen pijn, het is ook een compliment. Een stille onderscheiding aan degene die gemist wordt: jij was het waard om van te houden.

Misschien hoeven we rouw daarom niet te genezen of te overwinnen. Misschien hoeven we haar alleen te leren dragen, als een litteken dat soms trekt in koud weer. Je wordt er niet minder mens van. Integendeel, je wordt mens mét verleden. Er bestaat een hardnekkige verwachting dat rouw rechtlijnig is. Eerst schrik, dan verdriet, dan verwerking, dan door. Maar rouw houdt zich nooit aan schema’s. Ze loopt in cirkels, of in welk figuur je je ook maar kunt voorstellen. Rouw doet aan tijdreizen. Je kunt lachen op maandagochtend en op donderdag in de auto ineens huilen om een sleutelbos waar een naam aan hangt. Dat betekent niet dat het misgaat. Het betekent dat je leeft met iets dat groter is dan een kalender.

Misschien is dát de filosofische waarheid van rouw: liefde die niet meer weet waarheen te gaan, en daarom in jou blijft wonen. Er komt geen moment waarop het klaar is. Er komt wel een moment waarop je merkt dat je omkijkt zonder te breken. Dat je kunt zeggen: het doet pijn, maar het draagt ook. Dat de herinnering je niet alleen neersabelt, maar je soms ook een beetje optilt.

Rouw is de prijs van verbondenheid. En als dat waar is, dan is rouw niet alleen donker. Dan is rouw ook een bewijs. Dat je hebt liefgehad. Dat je nog altijd liefhebt. En dat je dat ook zal blijven doen. Dat iemand die er niet meer is, toch een plek heeft die nooit meer verdwijnt.  Niet omdat jij haar vasthoudt. Maar omdat liefde dat nu eenmaal doet: blijven.